— «Ja, baas — is ’t waar? binne ’tzulkegauwdievehè?»
— «Werachtig hoor!»
— «Merakel hè?»
— «As je maar uit je ooge kijk, as je dat maar weet, d’r is hier niét zoo merakel veel te doèn, maar je mot enkel altijd je ooge gebruike — en toèzien.»
— «Ja baas, dat is dan wel noódig —»
— «Ja, ze hebbe me al wel zóó de een te hier uit de la genome — ja — zou je niet wille geloóve hé?»
— «God jawel baas.»
«Nou as je dan maar d’r op passé wil.»
— «Nou,» lachte-ie dan nerveus terug: »ze zalle 't werachtig bij mijn niet lappe hoor... vast niet»
De eerste keeren, dat ze zulke gesprekken voerden, voelde hij nog, daarna, plots, even al de kleinheid, waartoe hij zich ingedrongen, al de laagheid, waartoe hij zich alleen om maar even met de baas te kunnen praten, had neergebogen. Maar later bleef ook dat uit, volgde de eéne kleinheid de andere, verdrong het eindelooze gewerk de enkele mooiere opleving van berouw, over dat toegeven aan z’n zwakheid,; besefte hij niet meer, als in ’t eerst, dat hij ’t toch eigenlijk zelf zoo niet meende, dat ’t toch ploerterig was van de baas, om z’n leveranciers en z’n klante te bedondere, omdat-ie bang was, dat ze hèm anders te pakke zoue néme, omdat-ie dacht, dat iedereen ’n dief was, iedereen...
Dit voelde hij alleen maar in de eerste tijden. Zooals hij thuis gelachen had om de tafel bij zeldzame intimiteit van broers, die vuilheden vertelden, zoo warmde hij zich nu aan de veel lagere vertrouwelijkheid van den baas, wijl die in