Zoó was zijn werktijd — op Maandag — tot ’t bedtijd was — de andere dagen waren evenlang; alleen ’s Zaterdags — als er niet nóodige dingen te doen waren: ’s morgens even, ’s middags even, en ’s avonds even komen hooren — was-ie vrij en op den Zondag vanaf zes, zeven uur ’s middags kon-ie rékenen.
Hij hielp nu koeien slachten, kalveren slachten, vroeg en bediende klanten, duwde karren en droeg manden met vleesch van ’t abbattoir naar de Breestraat, van de Breestraat naar ’t abbattoir.
Zijn baas — was goéd, twee drie dagen — scheen hem goed een heele week. Het leek hem alles mooi: een goeie baas, een vriendelijke juffrouw ... en dan was er nog dat kindje — klein, lief kindje, waar mee te spelen was als de baas er niet bij stond, en dat na enkele dagen hem om den hals pakte en kuste.
Ze kon zoo heerlijk met haar kleine oogjes lachen in zijn oogen, hem kussen op z’n groven mond; het was een weelde van bloemen en zon — daar was opeens een wondermooie wereld besloten in dien kinderkus.
Het vulde hem de uren aan na twee drie weken, het