van heerlijkluchte bekoeling stond hij een oogenblik te kijken in verblufte staring naar Levie’s gespartel, nü pas wetend den giftigen drang van zijn doen — en even voelde hij een spijt nu wel ~ een plotse schuld om zijn weinige nadenken en hij merkte zich naar hem overbuigen: «Kom hier — zak je de'r uithellepe» — zei ie zacht.
«Sodemieter op!» — moeilijk rekte zich Levie. «Pas op, blijf van me — hoor je — ?k steek je an ’n mes! Pas op hoor! Bij God!»
Van vóór kwamen in werkhaast weggeschrokken enkele makkers toeloopen — «Niks, niks» — angstig zei Moos. — «Niks?», in verstikkende spijt zei Levie, wijl ze hem zoo onbeholpen vonden liggen — «niks? wach ik kom daar bij je — zal ik je niks leere!»
Opspringend met z’n bevuilde lijf, schoot hij op hem toe, smeet hem met een krachtigen drift dan tegen den grond, waar Moos — in nerveuse verrassing, zich daad’lijk niet te weeren wist, en spugend van woede schopte hij hem tegen zijn hoofd en zijn schouders en beenen. Met hun drieën sleurden ze hem weg en Brampie Mok hielp hem opstaan, droogde z’n hoofd met z’n rooien zakdoek, veegde ’t vuil van z'n gezicht met Jt schoonste tipje van z’n schort.
«Ga je afwassche U drong Brampie — «ga ginder je af-wassche — ’n schandaal is ’t — kinderewerrek!»
«Niks» — hokte Moos — «niks is ’t, la me gaan.»
«Nou neem me niet kwalijk», onderzocht Brampie — «'n aardige kink het ie je gegeve — je hoef bloedt maar niet — ga je afwassche — hoe is dat zoo angekomme — van strakkies nog ?»