haat zou uit gaan spugen tegen tijdenlang onaangeroerde vijandschap — en hij trilde op zijn beenen, toen Levie de scheede terug liet schommelen tegen de vuil-witte sloof. Toen zag hij hem bukken over ’t nog rochelende, bewegende beest, zag hem de korte horenstompjes vatten en terugschuiven over den bak. Hij greep zich nu vast aan de openstaande deuren achter zich — en in de wereld wist hij niets anders nu dan dit kleine hokje met ’t kalf en Levie Fruit. Een opkruip van bonkige klitten kwam naar z’n keel geklommen, verdringend in hun saampersing de woorden die hij schreeuwden wilde: — dat ’t kalf nog lééfde — dat-ie nog niet mócht, Levie, dat ie wachten moest — tot ’t dóód was — héélemaal dood — kalm weggestorven... ?t was mooi genoeg zoo — hij kon wel eve wachte — verdommeling die ie was — kwajonge — om zoo vroeg te beginne . . . hij deê ’t wel ... zie je wél zie je wèl . . .
De punt van ’t mes was nu heel dicht bij ’t keelgedein van
de laatste ademhalingen, de vingers betastten Jt huidbegin bij de wijde halssnede ... Toen wist hij plots niet meer — een bons-schok van daad’lijk, — zonder tusschenruimte van denken — nu dóen — wrikte in zijn hoofd — en zijn handen lieten
de deur los — zijn lijf schoot vooruit, en met een enkelen
heftigen schreeuw die zich loswrong uit z’n volle keel — wist hij niet meer wat gebeurde — maar zijn handen duwden Levie heen over ’t beest en toen zijn oogen keken met ’t weer even egaler meedenken van zijn hoofd, zag-ie hem achterovergeworpen in den bloedwaterbak, het mes in een hoek, en de schrikoogen met even woede-bliksemende pupillen in den opgezetten spierenrekkenden kop. Hijgend