geweld was het getrappel tot sidderen verstild en de hooger aan staldeur gebonden kop stond er bevend te snuiven, tot de tweede slag, voorzichtiger mikkend berekend, aanflitste boven den doek en het reuzige lichaam in één klaterspartelenden val neer deê tuimelen naar de keien. Een tweede wachtende kerel besprong met z’n mes het stuiptrekkend neer gebonkte lijf en onthalsde het wild en grof nu 't verzet was gebroken.
Verweekt was hij heengegaan — onmachtig tot haat, waar de snikking van zooveel saamgekropen wee hem in weening verwrong. In elke stal zag hij de diefstal van de weide — zaten de pratende menschen bij de stervende beesten en staken en sneden met zingende keelen en gleden eruit in het gestolene leven.
Hoog boven den schreienden moord, ver-wijd schitterde een weelde van lentebeloften in de fijne blauwe en turkoise luchten. Wild en hartstochtelijk had dit nieuwe in hem doorgesnikt — in nog ongetemperde heftigheid van zijn eenzame leven. Er was nog geen geweest tegen wie hij dit alles geklaagd had, tegen wie hij al zijn blijdschap om het mooi, al zijn droefenis om aangetroffen wee gezegd had; geen die hem zachjes had aangehoord, om de toppen te snoeien van zijn al te groote vreugde, om de ziekelijke uitersten van zijn wee te verzachten en hem de weldadige berusting te geven van milder en wijzer dingenziening.
De hartstocht van zijn vreugde en de hartstocht van zijn droefenis die hadden hem maar vrij te vermeesteren en vast te schroeven in afmattende aandoening, zonder zwakste beteugeling van logisch denkvermogen.