achteraf, in een der laatste gebouwen, had-ie *n paard zien dooden. Afgemartelde verschoppelingen waren ’t, de verminkte ploeterlijven zwaar gedragen door de verwrakte pooten, die van lappen om wonden uiteengesjokt en ontlijnd klotsschoven over de keien. Stom en geslagen hingen de koppen naar de staldeur genegen, stonden de groote lichamen beweegloos achterwaarts gebonkt in de felpijnende zon, waar de vergrofde menschenhanden hen neer hadden geduwd, en de staarten starmoe zwiepten naar de vliegen, die de dorre huid nog frisch treiterend bepriemden. Ver weerloos zag ie de eerste bruin ’t koordje volgen, dat hem voorttrok naar de staldeur, waar-ie geslagen zou worden. De blauwgrauwe oogen hadden een waas als doodsdauw in den naaktruigen kop en de pooten klepsloften met losse hoeven rustverlangend achter den beul. Dan werd de bruin aan de staldeur gebonden en laag geblinddoekt, zoodat ?t voorhoofd bloot bleef. En met naakte armen uit zijn blauwe kiel was de kerel nagekomen, dragend den langen gepinden hamer, die de bruin niet in z’n knuisten wist, maar bevend scheen te ruiken. Boven den doek mikten de polsen weifel-draaiend en niet beroerend — maar plots weken ze verder en aanzettender terug... en die het touw had vastgebonden sprong in doodsangst weg — de verleefde bruin stond in krankzinnig schrikmartelgesteiger te beuken de vuurspattende keien, schraaptuimelend en weer staand — en de kerel vloekte — hij had misgeslagen. Met hun drieën besprongen ze het óm zich rameiende beest, dat achter zijn blinddoek den laatsten schrikmartel uit stond te lijden — de pin was naast het wit in zijn voorhoofd gedrongen. Na minuten