Mok stond bij hen te luieren, zwetsend van den een naar den ander, tot hij hen ophield en ze hem wegsnauwden.
Moos was blij, daad’lijk klaar te zijn; pas den vorigen dag
was hij bijna ziek geweest van ’t slachten enkele uren lang en een heelen middag rond moeten loopen op de slachtplaats. De weeïg-zoete lucht van t bloed, benauwend en
doorgeurend tot in den smaak, het zien rondplassen en wroeten der handen, gaf hem een ziekelijkweeke beroering, een ontzaglijk nijpende benauwenis, die hem al af dee keeren om ergens achter de gebouwen op den weg even te happen naar genezende frischheid. Hij had wel beesten zien slachten vroeger — een enkele maal bij slagers of boeren> maar hier het dagenlange gemoord, de saambrenging van zooveel schreiend wee benam hem zijn wil en smakte hem neer in onzegbaar- weeke ontroering.
Bij de varkens, de kalveren, de schapen en de paarden had hij kwartieren lang gestaan, met in zijn lijf een heel weeë rondwoelende reuteling, een heele verwording van zijn wil om weg te gaan van den moord, waar-ie onmachtig tot helpen naar te staren stond.
Bij dë varkens had hij gezien — de menschenhanden grissen bij troepen de angstige beesten en de gepinde hamers dofstomp verbonzen hun gillende doodsschreeuwen, tot de messen in de keelen woelden en kettingen de twijfeldoode lijven haastig neerrengelden in de dampverwolkte heetwater-bakken.
Geween van schapen en lammeren had-ie gehoord — zachte kinderdieren, die broos bewogen — ’t kreunverster-vend öpgekerm had smartelijk in hem rondgeschreid. Stil,