Om zijn hevige minachting schoten allen in lach. Wachtend dichtbij een, schreeuwden ze voort, rookend en spuwend voor de afsluitketting bij de Muiderpoort, tot de minutenlange kolentrein piepend en ratelend en schokkend voorbij was gegleden. Dan sprongen ze over de nog gespannen ketting heen, probeerend elkaar met duwen in den rug te doen vallen, wat hen deed vloeken met schorgekrijt tegen ’t gewatel van den heenrommeienden trein in en de weer aanzettende karren en paarden die óverreden.
Ze sjorden nu voort met gebonk en geslinger van hun manden, dartelend in hun vervuilde jeugd over de zonbeschenen breeden weg. Voor ?t abattoir was het een blijde ruimte van zonnig buitenleven, kroop het blinkende zingende vaartje weg door 1 jonge beboterbloemde gras, lijnde de groene verte naar ragfijn teeder blauw van zuivere horizon — daar achter was de zee. Het rood van de huisjes en het takkengewaaier stonden te stoeien tegen de zonbe-krielde lucht met vredig morgengespeel; het was een verrassende juiching van wuivende jonge dingen — als plechtig voorjaarsgelui. Plots sprong iets in hem op — aantikkend licht hoogzangerig uit de stilte van zijn weggescholen leven, jubelend naar zijn keel uit de doode diepte van dagenlange verstorvenheid — een kind sprong daar ijlings wakker uit de ongeweten sluimering en sloeg handenklappend aan ’t kraaien om wonderblije herkenning.
«’t Is daarom mooi weer» — zei Jaapie.
«Ja zeker» zei hij en zweeg daadlijk, maar het geluk was in zijn hoofd.
«Gane jullie mee of niet,» haastte Brampie Mok, «legge jullie