niet te dondere — as me baas da kömp, krijg ’k me portie da ’k nog niet wèg ben met menière!»
«Nou ga met je nière!»
«Geèn nière!»
«En jij ’n dubbel stel» zei Jaapie raakjes.
Lachend gingen ze naar de gebouwen, de groote plaats over, waar Levie een wachter «Geworregé!» toeriep, en ieder zocht z’n hokje op.
Met in zijn weeë hoofd de lachende verminking van zijn stil-nieuwen jubel, slenterde hij de slachtplaats op. Het voorplein over kwamen zij in de straatjes der runderslachterijen, rechts en links de open hokkenrissen, met binnen elk paar deuren een beest in phase van slachtarbeid. Voor de hokken, op de bloed-beklitte klinkerstoepjes, schuifelden en drentelden handelbabbe-lend en klappend, gijnlachend en schreeuwend naar d’overzij met handen om monden gekokerd, de slagers en kooplui in witte en gele jassen, met stokken in vetglibberende handen en tusschen glimbolle wangen knuswolkende sigaren. Knechten met bloote koppen en armen, de bovenlijven robust klimmend uit de verflarde broeken en bloedbespatte klompen, duwden in haastdriftig bewegen de bazen opzij, grijpend naar bakken langwerpig voor ’t leggen der beestenkoppen of openklappend de deksels der vuilnisbakken die wachtten op de stoepjes naast de afhaakte tipkarren. Snijers met blootstroopte armen gewichtig rondstapten in langgele jassen — de gescheede galven in plaatsvragen vooruit, haastgedrongen door de wachtende slagers, die riepen twee- driemaal en weer om den sjouget. *) Beesten,
ï) Van gemeentewege aangestelde ritueele slachter.