«Je zal *t me zegge! bè-je voor mijn cente uit gewees ? zeg op ... ik zal wachtel» — Rood gloeide zijn driftkop dicht voori zijn oogen tot hij zijn adem voelde en angstig terugweek ...
Toen, sidderend nog, zijn oogen in kinderlijken deemoed naar de kleine woedende flitskijkertjes voor hem, hokte hij, ademsnakkend:
«Ik-ik moest ze nog... an-an me sslaèpjuffrouw be..tale .. . van ’n weèk most ze nog hebbe.»
«Verdomme!» vuistbalde de baas in de lucht, als in spijt dat-ie niet slaan durfde, «wat heb ik daarmee te make! Jezis nog toe! vuilik! gauwdief! vrouw kom is hier!»
In den winkel kwam hij nu even tot enkele in benauwenis uitgebrokkelde snikjes.
Toen hoorde hij in de kamer de juffrouw zeggen:
«Nou, wat doè je nou ? Hadt jij beter op ’m gelet. .. was Jt zoover misschien niet gekomme!»
Maar hij: «Och mensch, je ben krankzinnig, weet jeveèl, wie gappe wil, die gapt, ogh!»
«Nou kom is bier» vroeg ze zachter, «wat doe je nou, stuur je ’m weg ?»
«Be-je stapel ?» zei-ie, «ja, 'k stuur ’m wèg ... ka-jij ’t werrek doen ? ogh! je heb ze toch noodig! is ’t soms niet waar... kom eris hiér, ik zal je wat vertelle ... ik weet beter... hoor toe ... van hém weèt ’k nou hoeveèl of-ie gap ... en van ’n ander mot ’k nog maar raje gaan... ogh! praat mijn niet, ze binne toch allemaal diève, geeneén, die d’r deugt, van al dat tuig niet is ’t waar of nié waar ... heb ’k nou ja rech ?»