Hij had een boodschap gedaan, toen hij terugkwam in den winkel.
Toen gebeurde het.
Hij zag hen staan, en het sloeg hem met de hevigheid van iets, dat ademloos is af gewacht, en nu gebeuren gaat; het benam hem den moed, de deur los te maken en naar binnen te gaan ...
In den winkel: de baas, de juffrouw, Roosje.
En vóór hem een dienstmeisje.
Hij zag het — en aarzelend dacht-ie maar weer terug te gaan ... het was het dienstmeisje dat hem den vorigen dag het postje van eenvijftig betaald had, dat niet was opgeschreven. Hij wist niet wat ze moest, maar de winkel schemerde al voor zijn oogen, hij voelde zich al verbleeken, een hevige schokking van bloed terugwentelen in zijn lijf, waar ’t hamerde ... hamerde ... godogod! ... Hij moest, moest naar hen toe, ze zouen hem zeker wachten .., wachten, om hem toe te schreeuwen ...
Toen hoorde hij de bel van de deur klingelen, door de duwing van zijn lijf en hij waggelde naar binnen ...
cMoos, kom is hier!» riep hem de baas.