Maar hij dwong zich hem voorbij te loopen, om nog maar één oogenblik althans uit te stellen: «jjaa bbaas ... ik-ik mot eè-eève me mand zoeke.»
«Nou, je heb je mand nou nie noodig! ... kom eve hier!»
Snel veegde hij even z’n gezicht af met z’n mouw, bezag z’n van angst vertrokken gezicht in de glasruit, beet zich op de lippen om zich te dwingen, te rukken tot kalmte, rekte zijn hals uit, tot het hem pijnde, om rechtop te loopen, om zich niet neer te laten trekken door zijn angst. Maar in den winkel wachtten ze, wachtten ze ... hij wou ze zoo graag laten wachten, wègloopen ... o God! waarheen... ze zoo laten wachten, niet de vreugde te geven van al zijn schrikkelijke naaktheid te zien ..,
«Moos! godverdomme, kom je haas.»
«Jja bbaas ... ik-ik kóm toch al ...»
«Waar blijf je nou!»
En weer slikkend, slikkend, in de gang nog, bang z’n gezicht te toonen, hokte-ie: «óch ... ik kom toch al.. . evé evé ... me mand ommers.» Toen stond hij in den winkel, vóór hen ... Alles bleef gelijk, het vleesch, het vet, de haken, het blok, de toonbank ... allés alles ... Ze wachtten ... toè dan ... Ze wachtten, zèi-ie ’t nou nog niet ? — Hij moest *t toch zégge... toè nou ... zeg ’t nou maar — hij kon ’t nou ommers wel zegge gaè,n ... van dat-ie weer gestóle had! ... gister ... toè nou ! ... och maar god, ze wachtte d’r ommers allemaal óp ... wat vreemde dinge allemaal om 'm héén ... ó ja! ... die meid ... godogod I godogod! godgod ! stil nou ... goéd houe ... kranige kérel