die mot blijve, want Moos die het 't te druk. Pappa is d'r toch niet. Straks als pappa komt, gaan we uit hoor.»
’t Kind was tevreden — hij was blij, dat ze weer tegen mamma's wang begon te tikken: «Ja mamma? heerlijke lollige mammetje gaan we dan wandele ?» en het werd een geküs in het hokje, met golvende echte en nagebootste lachjes door den hoogen winkel. Maar als een trappen op zijn hoofd bleef het toch, 'r wel verzachte antwoord, een vastschroeying, die hem tot frisch ademen niet losliet voor de baas terugkwam en ze den winkel uit waren.
Toen kwam er opeens weer een misleiding van zijn straks zich heelemaal gewantrouwd weten, toen de baas hem even later naar achter zond, haastig: «zeg, Moos, verdomme
loop is gauw naar de keuke, maar zeg niks hoor, op de rechtbank naast ’t gasmechien. .. daar legt 'n rolletje kwartjes, haal is gauw hier, eer die meid d’r daar wat van gaat jatte, maak voort!»
«Ja, baas, ’k loop al!» zei-ie blij. En hij dacht: ja... hij vertrouwde hem toch wel, de baas, en haalde ze gauw naar den winkel. Hij behoefde niet bang te weze dat-ie 'm snappe zou, op hem werd niet gelet ... En als de baas hem weer stelen liet van grossiers of klanten, begon hij in verbeelding te grinniklachen, «och och, wat was't een goocheme baas... hihi... maar hij was toch zoo goochem niet, of hij wist ’m wel fijn te graze te neme, hihi...»
* *
*
Gezellige, lachende vrienden werden ze, de baas en hij,