«Wat dan?» vroeg ze, daadlijk verwonderd bij zijn naadren.
«Wat dan... nou, zoo as ü r’is de hande voor de ooge houe» zei-ie uitgelaten «za’k ’t nou ook is doen, zal u is voelen of ik ook zeer kan doen!»
«Neé, dank je,» weerde ze angstig af, «dat zalle we nou maar niet uitgaan hale hè?»
«Flauw,» zei-ie, met ’n voelen-wegploffen van de weelde, «;t zou ook wat.»
«’t Zou niks» ontweek ze schuchter, «maar ’t kastje mot bij >t muurtje blijve ... jaaa wat dacht je?» lachte ze opnieuw om te vergoelijken, «dacht je da’k daar met jou zoo maar aan ’t dolle ging hier? — maar vertel me maar is liever wat, hoeveel concèrte je nou al gehoord heb en hoevaak of je nou al naar de schouwburg geweest ben, en hoe mooi je ’t allemaal heb gevonde.”
«Is dat alles wa’k vertelle mag?»
«Of dat alles is? je mag zooveel vertelle as je wil, *k zal d’r op me gemak bij gaan zitte.»
«Nienoodig,» zei-ie grover, «zooveel zal 't nie weze, *k wist niet da’k hier behalve slagersknecht ook nog meneer van gezelschap was. Kan u geen goeie clown gebruike?»
«Hahaha!» lachte ze, vreemd tegenover z’n bitterheid, «wou je zoo graag voor clown spele, en is ’t geen groote eer meneer van gezelschap voor me te weze ?»
«Jazeker,» zei-ie bedremmeld, voetschuifelend over’t tapijt, «?t is me ’n heele groote eer... zeg maar wat u wetewii.»
«’k Wou dat je wat vertelle zou van wat je gehoord en gezien hadt» zei ze, angstig om z’n ernsttoon, «isdatzooietsbizonders?»