heel zwaars tilde hij ze in driftspanning omhoog tot boven zijn hoofd en slingerkletterend smeet hij ze, bons I in een hoek van ’t kamertje als om ze te bezeèren. Sam rekte er van wakker en zag hem staan in den hijgenden vloek.
cWat maak je voor 'n spektakel?»
«Ik?» stamelde hij beschaamd-bedarend, «niks!»
«Nou-ou!» rekte zich geeuwend Sam om weer in te slapen. ft Zwarte haarbosje tipte op t blauwstreepte kussen; dan waren er twee donkere wenkbrauwstreepjes, ’t geelbleek van z’n beenig gezicht onder branderig oogenrood, vocht-puntig snorretje boven breedvleezige lippen en een kinbolletje; twee blauwe boezeroenmarmen omcirkelden ’t hoofd in wije spanning en met ’t gerengel van de ledikantijzers bolden de dekens op van de uitzetting der knieën.
«Mot je nog niet wakker?» vroeg Moos, bangdat-ieweer slapen ging.
»Neé, wat mot je.»
«Hoor nou ’s evé.»
«Wat is ’r dan ... hèeè ? ... leg nou niet te klesse,la me nou slapeè.» —
«’k Mot je wat vrage.»
«Strakkies, la me nou met rus... jij altijd.»
«Sam!»
«Nou ?»
«Zeg, hè-jij geen paar schoene vandaag voor me?»
«Schoene? nee ’k heb niet.»
«Och, verdomme.»
«*k Zal je toch niet bedondere, la me dan gaan!»
«Hè*je ze werachtig niet?»