in de nachtstilte, schreide als vroeger, met heel de kinderlijke beving van zijn zieltje, met heel de overgave van zijn groven leeftijd: alles goed, alles stil, alles zacht...
En hij ging dien avond rustig slapen, zuchtend als een moe gespeeld kindje, zonder minste pijn van grover willen.
Maar ’s morgens, heel vroeg, toen hij weg moest, werd het een pijnlijke neerval in ’t havelooze leven.
Toen-ie wakker werd, aandachtig luisterend, hoorde-ieden najaarsregen jagend kletterend tegen 91 ruitje en een gedempt gespetter nurks begromde de dakpannen boven hem. Geschrokken van ’t eerste heftige windgeluid om ’t bovenhuis, dan daadlijk bij ’t in z’n slaapzware denken ontmoeten van ft kniezerig weer, sprong-ie triestig uit bed en toen-ie uit ’t dakraampje naar diep beneê in de Zandstraatgeul zag, voelde-ie kille huivering van dagregen. Menschen gingen al droefgebogen door de straat, waar de plassen spiegelden tusschen de glimnatte keien, karren overzeild schoven voort met moè gesjök van groentenmannetjes die hieven den boom met kopjes gedoken in de heffing der schouders. Over de huizen klaagde ’t huilend gegier van den herfstwind, waarin de uithangborden kletterend rinkelden boven ’t geknapper der uitbuigende ramen. Wind zwiepte striemend-wreed den regen naar de afketsende keien, schreiend-somber hing de luchtstrook boven de huizenbanen, zwartfronsend als levenhatende menschengezichten, met trieste voorspelling van regen den heelen dag. Een groote