klein was als de anderen soms, ja soms was ’t toch maar, hij wist het niet.,. hij kon haar niet voor zich verklaren...
Na den langen werkdag bleef hij *s avonds stil op zijn kamertje, waar de twee lampjes brandden met vreemdveel licht tegen ’t muurwit en ’t latwerk van de rooie pannen. Een sobere wijding was ’t; daar op ’t wrakke waschtafeltje, op èenen hoek ’t gewone oliepitje, op de andere ’t gang-lampje van de juffrouw geleend voor jaartijdlicht
En enkele uren, tot Sam thuis kwam, bleef hij zitten daar, waar de suisstilte zoo zijn verbeelding rustig leven liet en hij vredig-zacht, zonder Jt omrumoer van den dag, zijn verleden overdenken kon. — Zóó had ’t eene lichtje gebrand op Vaders kist, zoo bij Moeder. Het kwam lief en ernstig in hem ruischen, en hij merkte verlangen naar Izak en Joopie, die van alles alleen gebléven waren. Het was wel ’n vreemde avond, een vreemde dag, ’t was in langen tijd niet geweest zoo... zóo, dat hij zich weer alleen voelde, zóo dat hij behoefte had aan heel bekende stemmen, aan stemmen uit zijn huis. Zijn huis met de lieve sjofelheid, met den lieven honger, 't lieve gezwoeg, zijn huis met alles liefs, zachjes zon-overgoten door overziening van ’t voorbije, tóng in de jaren vergledene leven.
De tijden hadden vermoord er aan al wat hoekig en hard was in de doorleving zelve der dingen; al wat leelijk grof en pijnlijk was toen, was zacht en goed en effen geworden... Hij vond zijn jeugd wel mooi zoo... hij had wel ’n gelukkige jeugd gehad... had-ie niet ? — ja-ja het was toch wel alles mooi geweest.. .
En hij schreide nog eens even, nog ’n poosje, zachtjes