«’k Zal om je denke, jongeheer», lachte ze, om iets te zeggen: «maar om over wat anders te prate, me man het geloof k ’n boodschap gelate, van Roos, daar moest je geloof 'k gaan vrage voor morrege of zoo iets, kan dat?»
«Jawel» zei-ie, opeens weer stroef naar ’r opziend om ’r daadlijk spreken van, «me man» .... nee, ze voelde niets van zijn brooze trots, dacht-ie en hij liep weer naar de deur: «?k Mot dat daadlijk effe doen ... dan za’k maar heengaan», zei-ie, nog zonder mooglijkheid tot onvriendelijk tegen haar zijn.
«Ga maar gauw uit me ooge dan», stoeide ze voort, «prachtige werkezel.»
«Kon wellis waar zijn», zei-ie met durf.
Maar zij, toch heel gauw klaar, om zich tegen ontevredenheid te verzetten, waar ze geleerd had bang voor te zijn — personeel moést niet ontevreden zijn dat was leelijk — «nou, zoo erreg as je ’t hier heb, zalle ze *t nog overal hebbe; met de behandeling tenminste, zal 't nog zoo gezocht worre.»
«O jazeker», voelde-ie haar dadelijk als patroonsvrouw niet tegen te moeten spreken: «dat gaat wel goed hoor, koek bij de koffie en ’n geleende hoed.»
«En zooveel verlof om praatjes te make», lachte ze, «nou ga dan nou maar heen en doe de complimente en zeg ze zalle veel vleesch ete.»
«Zal me zorreg zijn, of ze veel vleesch ete», lachte-die met ingehouden spot.
«Mot je toch ook van meeëte, bè jé nou nog nie weg?»
«Ja, *k ben al weg», zei-ie en bedacht het, dat zij even