attributen : oorkonde van oprichting met de intieme letters op mummelgelen grond, ’t zwarthouten bord voor aanduiding van den Pyrek, die met witte letters op blokje werd ingeschoven ; groote ronde klok, zwartomlijst ’t witte hart van de wijzerplaat. Voor ’t bewaren der wetsrollen stond achter de Biemah, oostwaarts; een mahoniehouten kast: met voorhang blauw fluweel aan koperen roe, de koperen Chanoekoh-kandelaar, ’t stukje roodbloemde tapijt, daarvóór alle kleurenweelde dien middag. Een dertigtal mannetjes met even opgezette hoeden, of met petten op achter ’t hekje gehouden, zoo weggeloopen van handel, kaatsten hun roepen al op den voorzang van den Rebbe die onder z’n hoogzij te kmkkelbuigen stond voor ’t hooge tafeltje, wolkjes adem krinkelend uit den hortenden, nasaal zingenden mond. De Sjammes, floszwartharig, slordigvies, met pincenez aan veel aangeknoopt koordje en stevigen baardgroezel om dikrooie lippen, met gedeukte fantasiehoed en groenig kam-garen demi, dribbelde boven z’n boekrestantje rond in z’n tewijde slofschoenen, waarvan de lussen öploerden boven den modderklitterigen broekspijp; en z’n zwarte colletje droèg-ie van voren boven ’t knoopje uit, van achter met *t eind over ’t kraaggroen, als was-ie weggeloopen uit oud-ijzerkelder. Hij zag Moos staan, met z’n ongewonen hoed, en over ’t witte slagersjasje z’n zwarte gegooid, en even loensde-ie langs z’n bril, ’t vreempie herkennend. Van de Biemah-trapjes kwam hij naar hem toe en fluisterde over ’t tafeltje heen: «Meneer, is u owel?»1)
«Nee, meneer, jaartijd», schuchter zei Moos. 1
1
Owel: treurende; die in de treurdagen is.