«Aju!» zei-ie en liet hen gaan.
Tegen vijf uur liep hij naar den baas.
«Baas, zou ik strakkies niét effe ’n hallef uur weg kenne effe ?»
«Wég, waarvoor ?»
«Om na schoèl te gaan, baas.»
«Na schoei? mot je daar doen?»
«Effe kaddesch zegge.»
«O god ja je heb jaartijd niet? nou ga jij eve na schoei, bid ook ’s voor mijn zeg en geef de complemente an de Rebbe... as je maar zoo lang niet blijft smoeze daar, doe me één plezier, want dfr is nog fn mach te doen voor as je weg kan gaan vanavet, ?n mach.»
«Neé baas, ’k ben gauw weerom, mag ’k effe ’n hoed van u te leen, *n ouwe hoed maar, anders mo’k weer ekspres naar huis eerst en daar is geen tijd voor.»
«Neem jij *n ouwe hoed eve, vraag maar binne.»
«Asjeblief baas.»
Hij zette vlug ’n ouwe stijve hoed op, trok over z’n werkkleeren ’n jasje aan en liep naar *n gewwereschoeltje in de buurt.
Het was een klein sjofel vereenigingsgebouwtje, zaaltje als even-groote kamer ; de vloer was er met wit zand bestrooid, ?t was midden in de week en de tapijten waren opgenomen, alleen voor ingang en Biemah lagen nieuw-frissche cocosmatten. Verveloos smoezlig bruin met dorre grimmels en kale vlekken, stonden voor de harde klapbanken de doorloopende lessenaarstafeltjes; langs de witte wanden dwaalhingen als slonzig neergehaakt de vale schoeitjes-