?t wel wete ... niks geen geheime... ’k heb vanavet jaartijd».
En hij zonder verder te vragen, maar in één adem, om een fatsoenlijke baas te lijken: «Nog veel jare!»
Maar zij: «Jaartijd, waarvan Moos?»
«O, ja», grinnikte de baas: «godomme, da’s waar ook, dat vergat ’k te vrage, nou doe jij ’t maar voor me.»
«Nou ?» vroeg ze.
«Van me vader», zei-Ie, nog dof: «vanavet, dus morrege pas.»
«En waar steek je nou je lichie op zèg... of doe je dat niet?»
«Nou, thuis van zellef», zei-ie, wat warmer door *r belangstelling: «ja ’k steek wèl ?n lichie op.»
«Waar thuis dan ?»
«Nou in de Zandstraat hè.»
«Wou je ?t hier soms neerzette?»
Maar de baas aan tafel tegenover haar — Moos stond in de deuropening van de kamer — stiet haar tegen den voet.
«Och nee, dank u juffrouw.»
«Nou, zooas je wil hoor.»
«Jij ben stapel», zei de baas, toen Moos naar de winkel teruggegaan en de deur uit was: «haal je toch godomme niks an ! laat hij jaartijd houe van z’n rommel waar ie wil, hè jij daar zorreg over? ik wil ’t niet hebbe in me huis.»
«Nou, nou», minachtte ze: «wees nou maar stil, hij doet ’1 ommers niet hier, wees maar stil, dat ongeluk is je al weer bespaard geworre.»
’s Middags sprak hij Levie met Jaapie Blitz op straat* die zouden ’s avonds meegaan.