saampropte, naar zijn hoofd, waar ’t gloeiend te beef wrikken begon, en daar. .. snél kwam het verleden in lichtende tafereelen voorbijdrijven, als in één wending van zijn oogen zag hij het alles; en dan vervliesde het plots door heete tranen die sponnen zich voor zijn oogen, waar-ie tegen de toonbank leunend te huilen stond.
Waarom had-ie ook nooit Kaddiesch gezegd al dien tijd .. . had-ie ’t niet kunne doen ? vanavent had ie weer afgesproke om uit te gaan ... uit, uit, dat was om te walge, bah! op de avond van z’n jaartijd nog wel... ja, vandaag was ’t jarig dat-ie vader had hellepe begrave... moest Joopie ’m dat komme herinnere ? nooit dacht-ie meer an buite tegenwoordig ... en dan, dat gappe. .. dat gappe ... o, als er maar andere bij ’m ware, dan zou-ie ’t wel beter late worre, vast wél. .. nou vast wél... Huilend liep-ie de gang door naar de keuken, de baas haastig voorbij en Anne was achter, die keerde hij weer den rug toe, moest-ie ’r z’n tranen laten zien ? Op ’t plaatsje ging hij staan en droogde z’n oogen met z’n mouw, dronk wat water en ging terug naar voor.
«Wie was daar» vroeg de juffrouw.
«O, niks juffrouw».
«Niks?» zei de baas nieuwsgierig: «niks is niks, wat was èr, nou ?»
«Och baas», suste-die: «’n briefkaart voor mijn!»
«Ei ei,» spotte de baas afgunstig: «me knech het aardige kherespendentie!»
«Zeker van z’n meissie», glimlachte zij.
«Och nee», zei-ie, «’n briefkaart van me broer.... umag