«Toe Roos, toe poppie, meid, lè, me nou gaan, hé? Ik mot nou an ’t werrek».
Dan kwam de baas er schielijk tusschen:
«’k Zou dènke, dat 7t tijd wordt, wat?»
«Nou, of ’t tijd werd,» dacht-ie, hij had wel minstens vijf minute daar met 'r staan babbele, wat waar is, is waar...
En ze liep huilend weg.
Hij niet, hij huilde niet.
Zij, mamma, was er ...
De vrouw van den baas,
Van de baas, waar ze niet van hield.
Maar waar ze de vrouw van was.
Als, na zijn eerste diefstal, zijn véle uitgaan, iets, waar hij weer schuchter omheensloop, iets heerlijk-moois, dat hem
niet toèkwam..... Zij, een vrouw, een mooie vrouw,
de grond te hard waar ze opliep — mooi als ze lachte, mooier ais ze schreide... maar een vrouw, de vrouw van den baas ...
Hij — een slagersknecht, een slagersknecht nü, die uitging, naar een kast sjokte, of meiden ansiste op straat; een slagersknecht met de volle kost en ’n rijksdaalder in de week, waar ’n daalder slaapgeld afging, behalleve de kwartjes van de afbetaling. — Een slagersknecht... die... gapte... eenmaal of honderdmaal... was precies ’t zelfde, flauwe kul... ze g'apten allemaal... hij gapte — nou, nou ... wat anders, wat anders . „. en of ze alleris vrindelik was... hij was en bleef ’n slagersknecht.