Toen is iets zwarts over hem gekomen, langzaam aan, iets zwaarsombers, dat hem omkringde in dompige benauwenis, waarin hij als in weeë overzadiging voortslenterde door de dagen. Het was of iedere dag hem een nieuwe tip was van aanwikkelend sluierzwart, dat zich rouwend plooide om grommender bestaan. Het was of zijn verleden werd afgesloten voor zijn verbeeldingsoogen, zoodat hij niet anders zien kon dan de dingen daadlijk rondom hem.
Dat was het abattoir, waar nog gedempt geschrei was van stervende dieren — in 7t weggulpend leven gleden zijn voeten nog uit — en eiken dag was er nieuw rumoer van hijschen en kettinggerinkel, messengeschraap en bonsgetuimel van beestenlijven, in weezoete lucht van water en bloed warmdruipend; en de gijnlachende slagersleventjes wurm-krioelden er wel voort, maar walg en droefenis en geweldig verzet waren uit hem geweken en hij deed er eiken dag zijn werk, lachend en pratend en rondsloffend de gebouwen, al 't aparte verspoeld in de dromming van 7t klein-gewoone.
De weg naar huis was de afstand tusschen werk en werk: als buiten de stad partijen van groen en van water en verte