zich te wijden kwamen, zoo vaak een laching van troost, een herleving van wereldmooi, dan dacht hij: zie zoo,
daar hebbe we nou de Zeeburregerdijk al weer; en bloemen of boomen die waren daar niet, en er was geen luchtblauw en geen zon, het waren doode dingen nu, zelfde dingen van eiken dag.
De stad was er... met dondergeratel van karren over stratenhard, met koppen-neigende paarden en schreeuwende koetsiers... die joègen je uit de weg : vort! en hoi! ... de paardenbekken stieten tegen zijn mand; de stad met 't koortsig-trillend menschengeleef, dat rumoerde al wijer en heviger eiken dag, op de straten en in de steeggangen en op de breedopen pleinen was het een bonzend polsbeweeg van drifthaast naar het Einde. Het schoot hem wel spotglimlachend te binnen: hadde ze zoo’n haast om dood te komme allemaal ? Hadde ze ’t dan allemaal zooveel drukker dan hij ? wat hadde ze dan zoo roezig te zijn ? Had hij soms niks te doen ? Zooveel uit mekaar te houe met al die soorte bestel-linge in z’n mand, al dat vèt en dat vleesch en die beene... of hij soms geen zorreg an z’n kop had; zooveel beene voor Jan, en 7n mager stukkie voor Pièt, en mevrouw Pots een hallef pond gehak en as ’t niet genog gekruid was weerom ... en juffrouw Parrech die kon geen randje vet gebruike, en hier weer ’n biefstuk van ’n kilo, en wat is-ie licht, gooi eris effe op de schaal achter... en strakkies weer ’n nieuw vrachie ogh ! die hadde allemaal zoo’n haast... meneere met gouwe kettinge en bruine schoentjes, waarvoor haddie die haast? zeker om naar de vrouwe te komme, haha! haha! en uitgevrouwd... óók in een kissie, en heelemaal