«Och ja. .. da’s ook waar.»
En hij voelde hoe hij nu niet de macht meer had hem te sarren, te trappen met de verwijtende toespelingen, die hij zich zoo dikwijls in walging had voorgenomen.
«Nou, maak maar gauw as je wegkömp____ kom is
hier, hè-je geen èndre pet as dat vod ? Zit godomme heelemaal geen klèp meer an ... ga is de juffrouw vrage, of ze nog niet een van mijn voor je het... of durref je niet?»
«Waarvoor zou ’k bang weze baas?»
«Of je wel durref vrage... nou? ha, ha!»
«God jawel hoor,» zei-ie., nog even dralend met binnengaan.
«Of,» lachte de baas, schuddend met z’n handen in z’n broekzakken: «of be-je te grootsch om *t an te néme.»
«Nou. baas», loog-ie «god, ook niet hoor.»
«Nou, ga dan vrage . . . ’k geloof, d’r is nog ’n heele
goeie____» maar toen hij de gangdeur losmaakte: «Of
godomme, nee... die het Roos laats verscheurd, hi hi! neé, neé, ’k heb gedach. .. maar die is ’r niet meer, nou, niks an te doen, mot je maar in godsnaam een koópe, je ken werachtig as gód zoo niet voor schandaal bij de klante komme!»
«Ja, baas... hè! ... hij ziet ’r wel erreg uit.»
«Hè-je nog cénte? of mot ’k je leéne?»
Toen zei hij, zich verbeeldend, rood te worden:
«Nou baas... hi, hi... ’k geloof, da *k nog wel zooveel heb.»
«Nou, vooruit dan maar, maak as je gauw weerom bén, hoor je, je mot nog na de slachtplaats en nog met 'n paar briefies uit, en van avet mot je in gosnaam ’n uur lèter