«Waarom hè-jij me dat niet eerder gegéve, mot ik d’r om vrage ?»
Maar zijn angst week niet, toen-ie bedacht dat de baas dat oók zou vragen, als-ie ’t hem nu uit eigen beweging zou geven. En voorzichtig hield hij het nieuwe mes in ’t oog nu, lei het telkens weg en wèg, als-ie bang was dat de baas 't zou opmerken, bleef-ie ’t aldoor zelf gebruiken .. En hij begon zich in te denken, wat-ie zeggen zou, als ’t licht toch ter sprake zou komen. Dan weer nam hij zich voor, 't vergeten te heeten en ’t tóch maar gauw af te dragen. Maar toen de baas bleef zwijgen, nóg een dag, en nóg een, er waren zóóveel messen in den winkel — besloot-ie, als er gevraagd zou worden tóch maar te laten voorkomen, dat-ie geen geld teruggekregen had. Hij leefde het oogenblik al helderder vooruit; de baas, in bekijking van 't mes, en vragend wat 't gekost had. En dan hij: nèt wat u me gegéve het, baas ...
Zoo gebeurde het. Den volgenden dag zag de baas hem er mee bezig: «O, ja, kom is hier, snijdt ’t goed, zeg?» vroeg-ie plots.
«Wat bedoèl u?» beefde hij even uit «ó 't mes?» en vooroverbuigend over ’t vleesch: «nou, ’n fijn messie,»
en hij maakte even quasi gauw af, om Jt de baas dan even over te reiken: «zeker al wel geprobeerd, hè ?»
«Neé, ’k heb 9t nog niet gezien, lijkt wel ’n goed stukkie wèrrek, wat het ’t ook is weer gekós?» *
«’n Rijksdaalder ommers,» zei-ie, alsof 't al eens besproken was «u heb me toch ommers een rijksdaalder meégegéve ?*