al toe: «Godverdomme, je ben weer aardig lang uitgebléve... an ’t uitsnije, vooruit! leg niet te sodemietere, kom, de mensche staan te wachte, voor te slape ken ik er wel duizend krijge!»
«Ik slaap niet baas, ik kan toch niet gauwer as gauw.»
«Och godverdomme, leg toch niet te ouwe hoèoère, maak vooóoort, ogh! hellep de mensche, wat doen ik met je smoessies, anders ka-je voor mijn part opdondere; zéve uur uit te blijve voor *n boodschappie, dat ’k op me sloffies doen kan in ’n kwartier ... maar je stinkt van luiïgheid, jij...»
Hij sprak niet verder tegen en ging aan ’t werk, scheurend, priemend, hakkend, zagend in de glijdende brokken vleesch, tot ’t zweet van inspanning en schaamte op z*n voorhoofd stond, onder ’t lawaaierig gevraag, gezoèk, aangemerk van de lastige vrouwtjes. En de heele dag in enkel drukte ging voorbij, zonder dat de baas ’t mes zelfs te zién vroeg.
's Avonds werd er niet over gesproken en hij had nog de twee kwartjes in zijn zak. En toen de baas vergat, blééf vergeten, begon hij ?t idéé al prettig te vinden, ze bij zich te dragen en de kans te hebben ze te kunnen houden. Het was al zoovaak hem gebeurd zoo en als hij dan eerlijk overgaf, de baas zich eensklaps óók herinnerde, werd hem het geld uit de handen gegrepen zonder glimp van vriendelijke dankbaarheid. Nu deed hij het niet. Hij wou ’t eens anders probeeren. Wachten tot de baas ’t zou vragen. Maar hij begreep dat dat niet gebeuren zou. Toch drong hij 't zich zoo op aan z’n verbeelding, en bepraatte zich ermee, Maar toen weer een dag verloopen was, werd hij angstig, dat de baas ’t werkelijk zich herinneren zou. Dan zou-ie vragen :