pijnendheftig geworden; maar even, heel even nog altijd bleef hij haar doen bespieden — en den ganschen leugen kon hij en wou hij nog niet gelooven . . .
En hij sjokte voort; van Vrijdag tot Vrijdag, z’n loon ontvangend geteld aan kleingeld in z’n handen, en eiken vrijen dag vroeg ’n andere kameraad om afbetaling van voorgeschoten geld, zoodat-ie al enkele malen z’n kamer-juffrouw moest laten wachten en dan dubbel betalen.
Maar door zijn handen rolde iederen dag het geld van zijn baas; het gleed door zijn vingers, het rinkelde in zijn zak, het zwierf om hem heen, op de toonbank, op den grond, op ft hakblok, het bleef liggen op ’t marmerblaadje van ’t kantoortje, het was overal te grijpen, het kleefde aan vuile vet van zijn handen, De baas, wantrouwend maar slordig, liet het zwerven, controleerde slecht, vergat hem te vragen naar geld dat ontvangen was, briefjes te noteeren, waarmee hij uitging, bedankte niet als hij eerlijk terugbracht.
Toch bleef hij sterk, maanden, hij wist, dit zou 7t laatste zijn. Hij deed ’t nooit... nee!... nee!... al zou-ie verrèkke, al liete ze ’m met hande vol alleen ... hij zou volhoue — as-ie dat deé, was-ie naar de bliksem... dat deé-ie niet, dat had-ie nooit gedaan . . .
En hij dacht na over de voorbije jaren en herinnerde zich de kwartjes, die Joopie hem wel gaf van de winst. Niks toch, niks... dat was niks ... neé ... kom ... flauwe kul... en dan ... dat was voorbij... dat was gewèest... al was 't niet zuiver an de graat;... hij dacht er nou niet an... hij moest sterker blijve dan de andere — hoe liepen ze dr