niet voor kwalijk neme, maar ’t was noodig, wat? of niet?» En hij zei van: ja baas.
En weer ’n anderen dag: «Hoe voel je je nou wel in je baas z’n kleere? toch maar makkelik hè, as je d’r maar zoo in kan schiete, jij draag op die menier niks as kefèksie hè ? hihi!... verdomme, ’k wou da’k ’r ook zoo makkelik an kon komme zonder ;n cent koste», en tegen haar met ’n spotknipoogje van — die benne in de zevende hemel met Jn ouwe broek — «nou jullie hebbe ’t werachtigesgod nog zoo schlemielig niet, dat binne van die voordeeltjes die jullie krijge allemaal op jullie beurt.»
Daarna had hij telkens geweigerd. En ’t bestaan werd hem er moeilijker door, wijl-ie, ook in de korte rusttijden, zich nu door kleerengebrek nergens durfde vertoonen. Hij schaamde zich ook voor haar dan weer, als z’n schoenen gaapten en zij zijn kousen daar door kon zien, en dieper trok ’t hem omlaag, en zijn gedachten hielp ’t verkleinen tot het tijdvragende, hinderende centenverdeelen.
Maar den aalmoes van haar hulp wou hij niet nemen. Zij sprak hem bij oogenblikken nog wel lieflachend toe, maar al was ondanks z’n ander genieten, nog veel van z’n wijding altijd weer in hem opgezongen, hij wou haar, door ’t ontvangen van haar kleerstukken, niet opmerken doen zijn sjofelheid; hij dacht die wel telkens voor haar verborgen te kunnen houden, nu de baas in haar bijzijn niet meer sarrend pochen kon op z’n gulheid. En nu ’t leven rustiger werd, vond hij ’t goed voor zich uit te maken: wat zij van hem dacht, wist hij nog niet; in de dom-piger denkloozer dagen was naar haar zijn begeeren minder