Ja, hij zou^ zich nieuwe rust gaan geven. Moeilijk, met veel gescharrel weken en weken, had-ie z'n leening afbetaald aan Sam. Telkens waren nieuwe kleeren noodig en meer dan eenmaal durfde hij van den baas niet bij te leenen, sinds die eens, toen-ie op Vrijdag bij uitbetaling niets af mocht houden, dralend gezegd had, dat-ie Jn tweede keer dat weigeren zou. «Begin je nou al te scharrele?» had-ie gevraagd, «as je nou maar asjeblief de volgende week geregeld begint af te betale !»
«Nou baas, da’s goed», had-ie teruggehakkeld, niet voorbereid op zoo opene grofheid in diens tegenwerken, «maar nou hindert 't toch niks, *k kan 't vanmiddag echt niet misse.»
«Dat weet ’k web, zei de baas «dat *t nou niet hindert, maar ’k zeg je ’t nou maar.»
«U zal toch wel krijge» probeerde-ie ’t nog, geslagen lachend, te vergoelijken.
«Zal wel waar weze» gaf de baas toe met overduidelijke gebaren: «maar hoor nou ’s toe,» lei-ie uit, «jullie
denke wel altijd om je zellef, maar jullie denke om óns niet, verbeel je nou eris, je zal van me weggaan