zou niet met zich spotten laten; en ze zou zien hoe ze hem weer terug deê gaan naar ’t bruutweg genieten, nemen wat z n recht was en bereikbaar... Daar waren immers kameraden die eerlijker waren dan zij en bij wie hij *t geluk, hoe anders ook, tastend bezitten kon — ’t geluk, dat-ie zich hier maar spotlachend zag voorgehouden, om ’m te pijnigen met den trap, als-ie toe wou grijpen. Hoog en trots zoude zich keeren en weer omvatten wat ’m gewoon-effener zou doen zijn voor ’t arbeiden en bewegen met wie óm hem waren...
En met ’n hard afmakend voornemen, als met stug-grimmigen driftnik van z’n gedachten, om terug te gaan naar z’n makkers, en dat voornemen al gauw tevreden en blijer door ft herinneren van z’n vorig genieten, wierp-iez’n zware zenuwmoeë wezen in den koortsigen slaap.