Zou ’t dan altijd zoo blijven: ’s avonds laat met z’n
moeë lijf naar z’n krot te mogen gaan, zich neer te moeten rengelen op z’n harde bed om voor ?t jagende werk morgen weer frisch te lijken, terwijl zij de gelogen liefdenacht leven ging, hèm de pracht van V lijf liefdeloos zou doen ver-slurpen ? Heetschokkend behuilde ie z’n kussen, temper-wrijvend met de handen langs z’n bonzende hoofd; als 'n kind dat om speelgoed dwingt, wist ie zich plots weer vernedering en woede vergeten en te snikken, te snikken naar de weelde van één enkele nacht te mogen slapen in haar armen. Zou ’t nooit, nooit dan zijn, dat ze ?m ook met mond en handenzacht lief-koozen ging, nou ie toch gedacht had, dat ze op 'm lette, dat ie iets moois was gaan beteekenen in ’r vertreiterde leven ? Bij Sam mocht ie den nacht verbrengen, hier op ’t lichtlooze kamertje, bij Sam, die straks naar boven zou stommelen, als gisteravond en eergisteravond, om zich moe als hij, neer te smijten en ronkend in te slapen tot den te vroegen dag. ’s Avonds zond ze hem naar huis, als ie in den middag lieve woordjes en lachjes van V gekregen had — hij wou zich ’t niet indenken — hoe ze bij elkaar kwamen om den grooten liefdeleugen te doen daarginds waar de menschen ze vonden te hooren bij elkaar. Ja, zij zei hem wel haar minachting voor dien man, maar zijn armen mocht die toch óm haar leggen en z n vreemde mond mocht haar kussen ontvangen, elke kus gestolen van zijn begeerbevende lippen ... als hij kwam om haar oogen mocht ie haar schoenen en de zijnen poetsen ... nee! — nee! — alles was dan gelogen van ’r... laf coquetteeren ... hij zou niet weer intiem met 'r zijn... Als ’n troostgebaar wees ’t in zijn marteling: hij