schrikken en weifelend maakte hij de kamerdeur open, waar-ie z’n hoofd omheen boog, zoekend haar oogen van den kijk af naar den geeuwenden man. Zij zag hem aan en even
zacht beroerde hem haar glimlach: Bè-je niet uit vanavet?»
«’k Heb me portemené vergete in me werrekbroek,» lachte hij, daadlijk toch ontwijkend van haar naar den baas.
«God zal beware!» spotte de baas, «ga maar gauw
kijke, of-ie d’r niet is, zou aardig wat weze, hihi!»
Zij lachte even minachtend-af wendend en hij dacht nu daadlijk al wel een begrijpen te merken, toen ze hem een seconde, als in herinnering-zoeken, aanzag met fijnen speellach om den mooien mond. Heerlijk-blij werd het in hem, een vertrouwelijk gelooven van — o, ze begrijpt me wel... ja, ja het zou komen ... het zou wel gebeuren... eens, eens, morgen of misschien nog vroeger, maar beiden wisten
zij ’t... en den baas voelde hij opeens als noö gedulde
tusschen hen tweeën in.
Een sarren voelde hij al van uit zijn oogen naar dien man gaan: wat leefde een walgende haat in hem tegen dat glimmig-beestbrute snorrengezicht, dat van levensverveling daar wijd den beestmuil dee gapen naast de jonge leefvolle vrouw. Maar een komende zegepraal meende hij daar aan te voelen rijzen, iets... iets... hij wist nog niet welke en hoè... maar hij zou sterker blijven dan die man, zij zou van hem houden gaan ... ja, ja ogód ... en hem zou ze haar walg zeggen voor zijn liefdelooze leven! Hij zou hem o ver winnen met zijn sterk wordende mooi, dat modderkruipende insectenventje, vetvies baasje, dat dacht hem in zijn lichtloos bestaan gansch te vervreten... neé, hij zou zich wel boven