in zonlicht geheven, van goudlicht bedropen, fonklende druppingen als klaatrende kirretjes, beroeren er bevend Al zuiverste blauw. Vogels bejoelen ’t ijlwijde goude — tril-sid-derende gillertjes, kindergegiechel, zilveren sliertjes besleepend het blauw, marmervoetjes van vrouwen in dans-zwenk bewogen.
O, nee, het was met zijn oogen niet te volgen, niet te omvatten met z’n aandacht: violen nimfdansten en huppel-jubelden over zijn hoofd en in zijn binnenste rondsprongen er lichtfonkelende watervalletjes...
En dan werd het kalmer van beweeg weer — een plechtiger cadans kwam van ’t lichtginds aangeorgeld en vroom en blij werd het in hem, heel zachtruim en wijerlichtblank, als een godsopenbaring van straallicht, dat kwam aangezongen rond zijn biddend bestaan.
Wat was er nu te doen voor hem — wat moesten zijn handen, zijn oogen, zijn voelen nu doen — zou-ie god danken daarvoor, voor ’t nooitgewetene... God ik dank je, God ik dank je... zoo was nog nooit zijn leven in het alom hooglichte geluk gedompeld, hoe kwam het... was daar niet nóg iets in hem, dat oorzaak was ?... iets was er nog — ja iets was er nog dat had meegeholpen van het drukkendzwarte ontruimen zijn binnenste, om dit zoo vol en wijd en hemelzuiver te ontvangen, en denken deed hij... een opdieping uit het daar vèr achter het geluklichte weggeweken wéten — en hij wist het nu, als met een klaterende paukenslag sprong het naar zijn begrijpen: Liefde, Liefde, zijn Liefde was daaringekomen — en met zijn Liefde was het muziekgeluk daar saamgejubeld. Een zachtlicht ontroerend levensgebaar had in hem bewogen