daarvan... was Beethoven iets van God ? — O, wat
was het daar . . . geluidsgolven van ginds heel ver ’t lichthooge dreven naar zijn lijf ... en zij bewogen en wrikten daar aan het laatste zwartomwikkelende in hem... zij joelden en jubelden er omme en omme en weer en weer, stil nu, nog eens en weer met sterker wil en heviger krijt-jubelden de vioolstemmen, en losser en lichter en ijl-gloeiender rood werd het daarbinnen, en met ’t wijken van 't allerlaatste beklemmendzware vlammerde ’t aan tot dageraads-purper, en plots was het zijn ziel alleen nog, die daarbinnen sloeg aan ’t hoogjubileeren wijd en wijduit, en kraaiend en hemellachend en zonneschaterend bewoog zij daar in hem als een wild wiekende hoogbloeiendroode vogel, omjoeld van violen die kwamen daar stil van het verlichte als lokkende vrouwen die rij-den er fleemend en lachedansend in hem rondom. Stil, stil moest hij zijn, en houden zijn denken en hoofd onbewogen en drinken den jubel met zacht volle dronken, die kwam er van ver van het lichtstil zoo puurgoud gedragen, en tilde hem hoog in het godblije blauw.
Stiller en verder werd nu de vreugde, de koperen vreugde, nu zacht in den dansmaat temperend neergedwongen — gordijnen van ’t omme weken van z’n oogen weg en in den rustig-dravenden violencadans — wijd lagen opeens voor ’t verbeelden te zingen stilgroene morgenlanden in teerblauwendag.
Warm glijden de weiden naar zóngroene verte, van slootjes doorkropen het zachtmat geglim; gedartel van dieren doorhupp’lend het licht, ’t maagdschuchter licht, waar de dauwliefde als nachtzang nauw ligt in vergleden.
Jt Fijnbroos gekartelde boomenborduursel, d’uiterste kruinen