had ie ’r gezien, ja, zij beiden wisten ’t alles nog zoo goed — sprookjes waren % die verhalen, sprookjes als maanlicht bij zomeravond — van sprookjes vond hij haar houden en van 't voorbije... wat was een vrouw ook zonder herinnering? En over kinderen hadden zij om beurten verteld, hoe ze stoeiden als jonge vogels, Roosje met *r vriendinnetjes, en de kinderen op straat ontmoet, met hun prachtig woord-gestamel, hun heerlijke ernstdoeninkjes, hun subliem nabootsen van ’t groote-menschenleven. Over al wat er moois was in de wereld hadden zij in éen uur gesproken, met gelukzware hoofden en oogen vochttintelend, al levensextaze nerveus-roepend uitgezegd — en eenvoudig ditmaal, zonder klein gestoei of coquetteeren, als wachtend met een uitgelaten einde, om de heerlijke opwinding onbedorven in zich te houden, waren zij van elkaar gegaan.
In het Paleis — op ’t verre podium diep in de zaal tegen ’t orgel op, was een festoen van licht, dat de engelbeelden droegen om de hoofden der witgedaste mannen. En een heerlijk vreemdwondere optilling was het geweest, toen de violen om zachte gaslicht te zingen begonnen en over de luisterende menschenhoofden. Hij was achter gaan zitten op de tribune tegen de muur en als ginds,, vèr over de in afwachting beweeglooze menschen heen, een man opstond en z’n hand bewoog, dan bogen zich als verstomd de mannengedaanten rondom de lessenaars — en een golf van verteederende geluiden wierookte op naar ’t feestende licht. Wat was dat opeens voor hem, daar heel binnen in hem — op *t programma had-ie gezien: Beethoven,
Beethoven... wie, wat was Beethoven... hij wist niets