liefde vroeg. Het was al prachtig zoo: hij was haar eerlijk komen vragen zonder sjadjen. Dat werd in de familie veel besproken, met vertrouwelijk weggefluisterd gepóch op Kalle’s mooie figuurtje: wat was-ie verlief gewees die
kerel — z’n moeder had verteld hij had niet kenne slape, voör-ie ?r gevraag had.
’t Was ook een aardig meissie om daar te hoeve gesjèdjend te worre — ’n prach van ’n sjiddesch was ’t, rèch echte liefde, zij was gauw dol met ’m, uitgelate — zeien de Moeders.
Zij — zag het wel komen, het leven, de straf; en ’t gaf eerst wat heftigheidstooneeltjes, waarin hij al zijn vuil kwam uit te spuugen over haar blanke leven; waarin zij al haar zachtheid toonde, die-ie bruut negeerde.
Maar langzaam, na ’t eerste kindje, dat hem even liefheid spelen deed — zij wist die liefheid al gehuicheld nu — kwam een ouwelijke matheid over haar, een ernstige berusting en de kleine levensgenoegentjes, ’t makkelijk materieel bewegen, leek haar al ’t levensgeluk dat bestaanbaar was; zij wist geen schoonheid meer daarbuiten.
Maar in het allerdiepst van haar innigste wezen trilde nog een enkle zenuw wel van popeljoelend meisjesleven, dat sprong er bij de naadring van een jonge nevenziel licht op en sloeg aan ’t lachen.
En al was het heel, heel zwakjes maar, het gaf haar toch even het wreede weten van een al licht en goud en purpren geluk dat haar voorbij gegleden en ontnomen was door de verwaterde levensplannetjes van een brutaal-overheerschend omgevinkje.