prachtige partij. Moe zei: alle jiddische kindere. Hij had wat uitgehaald, werd er gefluisterd, maar in de laatste tijd was-ie veel bedaard — ’n man moest wat achter de rug hebbe, dat had de vrouw niet meer met ’m mee te make. Paatje had lang en met hartstocht verdedigd: ’t was ’n aardig verschil, ’n man of ’n vrouw: as ’n vrouw wat doét, zoon streèpie buite de regels gaat, wat wordt gezèg? Me smoèst, me praat en me babbelt en me smoèst — maar *n jonge ? 'n aardig verschil, ’n jonge mag wat uit-hale, moet wat uithale, van ’n man wordt niks gezegd. Dat ware dinge van God, die-ie je zoo toestuurde, zoo’n sjiddesch is van God, dat binne mazoletjes, daar is me voor gebore om z’n kindere zulleke huwelijke te zien doen . ..
... Zij, door te weinig ontwikkeling van eigen denkkracht meeglijdend in ’t bleeke redeneerinkje, bijgewarmd door raad van japonnevriendinnetjes, en door strenge onthouding grooter begeeren voelend naar een man — dat was ’r aangeleerd als al-veroorlovend doèl van 5r zestiende: ’n man, ’n man — zij nam hem, in haar pover idealisme zich mooie jaren naast hem denkend. En bevrijen liet zij zich door zijn glimmenden snormond, al kleintrotscher werd zij op den knappen vent met de goeie zaak die den doorslag gaf. Dan bedwelmden haar de verlakte dingetjes van verloving en huwelijk, de dure bloemen van den bruidegom; de partijtjes royaal aan beide huizen, kostbare bruiloft en groot-doend huwelijksreisje.
Er kwam geen enkele stem uit heel haar omgeving van Joodsche families die haar waarlijke wezen beroerde en naar