Door klein-burgerlijke, bemiddelde ouders opgevoed langs stijfrechte lijntjes van fatsoen, was haar jeugd beklemd geworden in de geëerbiedigde dompigheid van het geaffecteerde joodsche meisjesbestaan.
Vanaf haar kinderjaren al had haar omgeving haar doen voelen een afstand tusschen arm en gegoed jodendom, tus-schen Jodenkeizersgracht en Jodenhouttuinen, tusschen weelde van door-de weeksche-zijjaponnetjes en ’t schorschreeuwend, eerlijk gesloof van de Breestraat-jodinnetjes. Waren haar principes opgedrongen van «stand» van «Joodsche aristocratie,» alsof er stand geweest ware onder ’t volk, dat eerst eeuwen gehongerd onder den trappenden voet van giftbrakenden rassenhaat, en nu rustig elkaar besjaggert, de grooten aan de kleinen, de joodjes van de Sarphatistraat aan de joodjes van de Houtstraat, in het krijtende gestuip van een allengs verstervend, rochelend bestaan. Alsof er schijn van aristocratie was in het intellectloos geleef van goocheme handelsjoodjes in Plantage en Sarphatistraat en de zijgordijnde grachtenhuizen; die sinaasappelen koopen in *t groot en heel duur omzetten aan ’t sjokzwoegende Jodenvolk, dat naar de synagoge gaat: met hongerige magen, maar in