wat-ie zei: «?t geeft ook niks...» en dan, om nog wat te zeggen, hoorde-ie zich kinderachtig, ontijdig herhalen:
«’k Zal is na zoo’n concert gaan ... in ’t Paleis zeg u ?»
«Ja, in ’t Paleis... ’k zal je wel waarschuwe as ’k ’t zie... maar ’t staat ook altijd angeplakt geloof ’k.»
«Goed... nou *k zal maar is zien of achter wat te doen is ...»
«Ja, ga maar,» dwong ze zich, in ’r nerveus bewegen, tot lachend gestoei: «ga nou maar gauw wèg jij, hoor.» Ze liep op hem toe en duwde hem bij z’n schouders de kamer uit. «Ziezoo,» zong ze verlegen, «ga jij maar gauw an je mooie slagerswerrekie hoor en wees jij maarsterrek ...»
«En beklaag u me maar en laat u maar niet door mij beklage» — zei-ie en vond zich ellendig-flauw. Hij keerde zich om vóór in de gang en greep haar polsen, met quasi saamgenepen handen om ’r pijn te doen, en achteruit duwde hij haar terug de kamer in. Ook de lippen bebijtend met ’r mooie egale tanden, stond ze voor hem met in haar wangenplooi de stil verbeten lach van hun stoeien, en een nerveuse angst was tusschen hen toen zij stil bleven staan, dicht bij elkaar, de handen om eikaars polsen en armen ... maar in hun hoofden was iets lief opzingends, doorneurieënd-moois, om zoo te blijven staan wat, een saamwiegende kinderlijkheid. En toen de winkelbel ging, en hij, beiden geschrokken, naar voren liep, maar terug kwam met een aangenomen krant, stonden ze plots tegenover elkaar met hoogroode hoofden. —
En ze ging gauw wat spelen met Roosje...