de inlichting dokter, dus u ben van meening dat over *t algemeen ’t geve niet veel sops is, is *t niet?»
«’t Geve?», driftte-ie opeens weer uit: «’t Geve? yt
hellepe ? hahaha! en dan onder ons Jode ? bah! dacht u werkelijk dat de gehollepene daar nog dankbaar voor moeste weze?» Vaag zocht-ie naar iets, dat z’n hevige bitterheid verklaren zou, waar z’n te weinig ontwikkelde gedachtengang een rustpunt zou vinden, vanwaar uit-ie z’n illusie wou zeggen; hij wou haar even iets laten voelen van 't mooie, dat hij zich gedacht had vroeger en dat hem nu een opschrikkende saterlach scheen tegen al de dag aan dag aangezien en veel meegevoelde menschenellende. Onrustig schoof-ie z’n stoel heen en weer in de scheemring tegenover haar: er was zooveel meer gift in zijn keel dan in zijn zwakke woordjes: «ogh! ogh! barstte-ie uit: «armoe,
jode, dacht u dat er iets gedaan werd voor de ellende onder de jode!... ogod mensch, vroeger toen ’k nog zoo krankzinnig was haha, da ’k me voorstellen kon, dat al de Jode hielde van mekaar, da ’k dacht ze zoue mekaar wel hellepe, al die Jode daar buite in de groote wereld — wat dacht *k ’t mooi — zoo’n volk dat wordt uitgespuugd door alle andere, hier wat meer en daar wat minder, same getreiterd op de heele wereld... as je op zoo’n mooie jontefavend ze mekaar de hand zag geve in de Schoei: nogveel jarè, met lachies, al die mooie bekende koppen bij mekaar, dan dacht je an de geschiedenis, ja waar was ’t ook is weer... daar en daar en daar in de woestijn hadde ze same dage en dage gereisd in de zonnehitte, en same ware ze gelukkig geweest en same hadde weer dezelfde
9