je zóo of zoolang gelede nog zoo diep d’r in hadt gezete, dat ze voor je rond hadde moete gaan — en ook as je je erreges mee bemoeide — je was niks meer van je zellef as je eenmaal geholpe was — je bleef altijd een van de huis-houwing waar ze voor ware rondgegaan.»
«Da’s wel heel erreg,,» zei ze begrijpend, «maar dat bewijst jou niet dat iedereen zoo is — je heb geen recht om alle mensche gelijk te denke — dat zou voor sommige dan toch wel ’n beleediging kunne worre — is ’t niet ? of ku-je dat niet begrijpe?»
Hij zag haar ernstig-stil aan en zijn bitter verzet tegen al medelijdende hulpjes voelde hij door haar kalmte wel breken — hij wist nu, dat iets groot-prikkelend-heerlijks van hem weggenomen werd, maar iets aparts, verteederends kwam daarvoor binnen en hij gaf haar even toe: «In enkele gevalle wèl,» zei-ie, «maar dat benne dan de weinige fijnere mensche, die bove ’t gros staan — en daar hou ’k van — die doene goed voor hun eige mooie plezier — niet om te géve — maar voor hun eige plezier — en daarom bederreve ze dat niet door 'n verkeerde manier van hellepe.» —
«Je legt ’t nog wat hard uit — wat ondankbaar of liever wat onbillijk,» zei ze lachend, maar afijn, ’k kan niet 1 allermeeste van jou verlange — mensche as jij geve niet graag daadlijk alles toe.»
«’k Geef alles toe,» hield-ie vol, «da’s 1 mooie in die mensche — dat ze Jt voor Jr eige mooie plezier doen — en dat ze 1 daardoor ook zonder bederrevende maniere doen da’s ’t toevallige goeie in ze.»
«O, Jt toevallige goeie dan hè? je wordt bedankt voor