«Pas op hoor!» dreigde ze lachend met V mooie tanden-vertoon — «praatsmannetje met je boel babbels.»
«Nou, is ’t niet waar?» glimlachte-die op z’n mooist terug, «ja, hij zal misschien niet zegge wat-ie denkt, maar afijn, misschien denkt-ie ook wel heelemaal niks — mag ’k is brutaal weze: heb u nog koffie?»
«Nou dat kèje anders al wel zonder te vrage — maar ga je gang maar, ouwe lurk — schenk je maar ’s zelf in, ’k wil ’s zien hoeveel je d’r wel overheen zal gooie.»
«Poeh! of ’k daar nooit een stuk huishoudgoed in me vingers gehad heb — ik heb misschien van me leve meer huiswerrek gedaan as u.»
«Snij niet zoo vreeselijk op, man, — bè-je erreges huisknecht geweest, hier of daar? zeker bij de omroeper bij jullie op ’t dorrep, niet? Of hè-je knoope geteld voor je zuster ?»
«Die hè’k nooit gehad — ’n zuster» — zei-ie, «maar ’tis echt waar, ’k heb ’n heele tijd lang de huishouwing gedaan bij ons thuis.»
«Thuis? meen je 't? «kon je moeder dat dan niet doen?»
«Jawèl — maar die ging altijd de deur uit.» —
«De deur uit ? of was ze niet erreg voor 'r huishouwing?»
«Jawel hoor, nee dat niet...»
«Nou, waarom dan ?»
«Och nou ja — mo’k zooveel vertelle...»
«Dan za’k d;r is voor op gemak gaan zitte,» lachte ze en kruiste de armen op ’r schoot.
«Maar u mot me niet uitlache...»