taliteit bij hem op naar meer intimiteit. En als ze te vertellen begon van ’r kleine vrouwenbelangetjes, nieuwe te verzorgen dingetjes in ’t huishouden, hinder met de meid, gevalletjes in de familie, lachplaagde hij spottend met de onbeduidendheid daarvan, alledaagsche sarcasmen, leukweg gezegd, maar die V terugplagend deêen dollen; en ’t kind ging er haar dwaze malligheidjes in kraaien en liep van de een naar den ander V knijpjes en kusjes te geven. Toen, opeens weer, onder ’t babbelen, vroeg ze hem, zonder ernstig denken:
«Heb je pret gehad van de week Js avends ?»
«Wat?» vroeg-ie, geschrokken, meenend dat ze wéten zou . . .
«Jazeker prèt,» zei ze, «je ben toch üitgeweest.»
«We—wat—wanneer, van de week?» dribbelde-die, kleurend en met kleine oogjes van inspanning om kalm te blijven.
«Nou, je hoeft ’r niet van te schrikke,» zei ze, even weifelend.
«Hoe bedoèl u nou?»
«Nou, heel gewoon,» lachte ze om te vergoelijken — «je ben toch uitgeweest van de week 's avends, tenminste je had ’n uitgangsavend, niet?»
«Nou ja,» zei-ie, zich gemakkelijker kalmeerend om 'r verbetering, «’n uitgangsavend heb ’k gehad — maar dat wil ommers nog niet zegge da’k uitgeweest ben.»
«Da’s waar,» geloofde ze weer dadelijk — «maar waarom ga je dan is niet uit — wat doe je dan zoo’n heele avend ?»