aan zich, die hij ze toch niet zeggen kon, maar hevig wist hij ze aan zich, hinderendhevig, toen hij het kind omhelsde — haar toe ging spreken, waar hier, in de propere binnenkamer, niets van de alles verwalgende omgeving maar een grijnslach blijvend kon achterlaten. O, zou zij ’t, vrouw die veel écht schreide, wel weten, dat hij, die daar voor haar als gelijke nu te spelen en te lachen stond, gemakk’lijk rondgebaarde in *t vuil, dat dag aan dag, haar moordender omkringde?
Nee, zeggen kon hij ’t niet aan haar — het was te hard van dingen rauw en leelijk hier te spreken, dat-ie zoo gauw had leeren kennen en meedoen. — ’t Was zoo lief, te worden gehouden voor sterk daarboven en frisch gebleven, en toegesproken zoo met zacht gebarend onderscheiden. — Hij zou haar laten denken zoo — en ’t werd hem daarom ook gemakkelijker zich nog onovergehaald te wanen — de mooie wil van enkle weken vroeger kwam in zijn verbeelden nu zich neerzetten en tegelijk met ’t doorjubelen van dat macht’ge jeügdmooi — ’t stille geklaag van een heel nieuw berouw ... dat ’t niet zoo was meer...
Hij had voor hun drieën lekkers bij de koffie gehaald en tegenover haar in zijn vuilwit jasje was hij zijlings op een leerbekleede stoel gaan zitten, binnengevraagd in een zeldzaam werkloos uurtje.
Zij lachten en praatten wat onnoozeltjes — een van heel vér coquetteeren, dat geen van tweeën bij zichzelve zoo noemen durfde, giechelde er in hun beurtelings stoeiend geplaag. Zij had hem koffie geschonken en koek gegeven en in de ongewone weelde van haar lach, van haar blije vertrouwelijkheid, voelde hij al zijn spijt weer wijken, kwam een jonge bru