Er kwamen nu de eerste dagen, waarin hij ’t gelooven verloor in zijn eigen kracht, waarin hij al ’t sterk-lieve van zich geweken voelde. Want al was zijn zondige doen maar de schreiende zwakheid van zijn wrakke menschenlijf, het gaf hem nu een vernederende ontkenning van zijn hoogere zijn — wat was hij ooit beter geweest dan de anderen, als ie toch hun gelijke was nu ?
En terwijl hij zich dwong tot meeleven in de kameradenomgeving, bespotte hij al verwaand gedachte vroegere leven met 91 eigen fèl-sarrende van z’n nieuw ingekomen wereld. Hun innigste vriend werd hij daad’lijk, zocht hun grootspraak aan te leeren, en lachte gelukkig om moppen en kwinkslagen. In een halve week tijd hielden zij hem voor de geestigste onder hen allen — en met triomf-oogjes knipperden zij elkaar toe, zwijgend hem aanhoorend en voortgaand hem vertrouwelijk te zijn.
Het zaakgesjagger van zijn baas ging hij intiemer inleven, handig helpend met haastig-vooruitgeroepen raadgevingen en weer toejuichend de sluwe omweegjes van den baas; hij dacht zich heerlijk beloond met enkele minuten lachend bespreken en late herhalingen. Hij vond er