«’k Weet niet baas,» hakkelde hij, »wat gaat dat mijn nou an, hè?»
«Zeg,» — driftte de baas — «as je mijn nou leg te be-dondere, «zeker wi-je zik stiekem houe, asof je daar nou heele-maal niet uitgaat — waarvoor leen je dan je cente altijd, voor niks zit je toch niet geregeld in de schwindel ?»
«Och, ’k weet niet baas,» wist-ie zich met moeite te verdedigen, uit schaamte voor haar. Zij, stond even met handen in elkaar gevouwen voor haar schoot, in pijnlijken aandacht te luisteren, verbaasd over ’t leenen, waarvan ze nooit gehoord had. Hij zag haar daadlijk zwijgend aanhooren — en feller schaamde hij zich plots, voelde zich kleuren — ja... zij zou ’t gelooven — zij geloofde... De winkelbel redde hem even en in de uitkomst van ’t weg kunnen loopen, stamelde hij, met ’n angstig naar ’r ópkijken: «Nou, baas, u weet toch niet waar ’k dat voor noodig heb, da’s toch ommers voor me kleere, dat weet u óok wel.»
Dichter bij den winkel liep hij haastig heen____