Maar hij, geplaagd van haar fijnen meerderheidstoon, ne-geerend stiet zich aan ’t treiterlachen, en scheurde Roosje van haar weg : Bè-jij bedonderd, ógh ! — *k heb geen schur-reft, hoor je — as *k kusse wil, dan kus ;k, en as 'k jou kusse wil, dan doen ’k ’t oók — ógh! en as ik uit wil gaan dan gaan ’k uit — versta je — nou bè-jij me niét gezellig genog altijd — versta je ? versta je ? leg me an 'n touwetje — heb 5k je werachtig-as-god niet voor genome, wat méén je?» — En grijpend 't kinderhoofdje, kuste hij, kuste, twintig maal, ’t donzen wangetje met z’n rauwvleezige natte lippen.
Toen duwde ze haar zakdoek tegen den huilwillenden mond en liep naar achter, waar Moos haar in de gang hoorde snikken. Een groot medelijden kwam in hem, toen hij haar hoorde stil hokkend met haar hoofd tegen de gangmuur huilen — had-ie haar niet mogen troosten ?
Een pijnenden berouwen woelde in hem rond — dat hij vannacht was uitgeweest — o, hij wou haar toespreken, ’r huilen stillen met zoete zachte woordjes: «kóm», — wou-ie gaan zeggen, — «kóm, kóm wees nou maar stil — huil nou maar niet meer, of kom hier maar stil uitsnikken tegen me schouer, zoó, zoó, — jij ben 'n goeie vrouw — ik hou wel van je, ik was ook uit van nacht, hoor je ? hoor je nou ? maar ’k zal ’t niét weer doen — ’k heb er zoo’n spijt van — ’k zal ’t nooit weer doen, as-je nou stil wil zijn, as-je je nou door mijn wil late beprate — as je n moedertje van me wil weze — of neé, daar bè-je niet oud genog voor, maar me zuster ka-je weze — wil je ? god ja, wil je ? Ik weet niet hoe ’n zuster is, — Jk heb nooit ’n zuster gehad