trillingen bewogen als vale stuiptrekkingen in den aandrij-venden dag.
Een weifeltrillende huivering van nieuw bewegen sidderde over de straten, die uit den scheemer, met stil-goede raam-oogen, als logge beesten waren opgedoken — en voetstappen klankten hun lange echoën langs de luisterende gevels. Langzaam, uit de vertrouwelijkheid van den nacht, ontspanden zich zuchtend de stadspartijen tot het dagschoone epos — fijnteere grachten in zwaarkroezig boomengroen — wijd-schallende pleinen met kerkreuzen dreunend gerugd in *t verpurende blauw en de maagdranke torens met goude gelaten — straten enorm met brutaalschoonen opstand van gevels, granieten en marm’ren paleizen die rij-den als reuzen met dagjeugd beschemerde hoofden — en groepen van kaden en grachten devoter: huizenrissen van eeuwen met rustdronk’re tinten, gevels bruinrood gemetseld en geelverfde nokken, huizen met lieve verledens die rekten hun rustige lijven aan walloozen kant uit grachten met schijn golf-gebroken.
Uit den nachtscheemer bouwde zich de prachtstad öp — een rekking van huizenhoofden, donker en licht, uit sprokenge-neurie — straks bruter stoerend breed in ’t dagalom — maar nu nog, even, broos en wijerwijkend van ’t grijszwart lief omwonden — Hoog daarboven, aan turkoisen grond, stil uit te bloeien hingen de zachte hemelbloemen, stil-geel vonkelende, facettende knoppen, van ’t rijkblauw nachtveld d’ allerlaatsten, lichtsten, gouden. —
Hoe kwam het plots, dat door een nauwe plek in zijn afgematte lijf een groote wijde weemoed aan te pijnen en in hem ronde te klagen kwam ? In de zware moeheid*